De drie grote trends in voedsel

Aan het begin van het nieuwe jaar zie ik veel berichten langskomen met de verwachtingen voor het komend jaar. Gezond leven is vaak het speerpunt. Dat is mooi, maar ik wil duurzaamheid niet vergeten. Op dat onderwerp zie ik gelukkig ook drie trends:

Plantaardig is volop in beweging. Er wordt hard gewerkt aan de Green Deal plantaardige eiwitgewassen. Ondertekening wordt verwacht het derde kwartaal. Deze Green Deal zal de teelt van eiwitgewassen in Nederland stimuleren. Ik zie in de retail en de foodservice het aandeel plantaardig in rap tempo toenemen. Het logo vegan verschijnt op steeds meer producten. Het voornemen in het regeerakkoord om het BTW-tarief op groente en fruit te verlagen zal zeker ten goede komen aan een plantaardig menu. Plantaardig voedsel levert een forse bijdrage aan een duurzaam voedselpatroon.

Ik verwacht dat biologisch flink gaat groeien, mede gestimuleerd door de Europese Farm to Fork-strategie. Het streven in die strategie is dat van alle Europese landbouwgrond in 2030 een kwart biologisch is. Ik zie veel voorbeelden waar voedselfabrikanten samenwerken met retail aan een groter en breder assortiment biologische producten. Het Ministerie van LNV komt met een Nationale Strategie Biologisch. De biologische sector met een nieuwe consumentencampagne. Mijns inziens mooie stappen richting een duurzamer voedselaanbod.

Lokaal voedsel wordt steeds geliefder. Iedereen zat veel thuis. Veel mensen zijn in hun eigen omgeving de boer opgegaan om daar eens te kijken wat er verbouwd wordt. En dat heeft geleid tot een sterke vraag naar lokaal voedsel: huisverkoop, streekboxen en online aanbod. Ook ik heb mijn tomaten gehaald in het Westland en koop de vis rechtstreeks van de afslag. De korte keten staat centraal in het lokale voedselbeleid dat provincies en gemeenten in de komende tijd opstellen. Zeker met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht verwacht ik dat de trend naar lokaal voedsel doorzet.

Kortom; ik ben blij met meer aandacht voor het lokale, biologische en plantaardige product.

Een mooi bedrijf verdient een goed opgeleide commissaris

Sinds kort volg ik de Commissarissencyclus bij Universiteit Nyenrode. Een pittige cursus, waarbij ik volle dagen in de collegebanken zit. Op aanraden van verschillende mensen uit mijn netwerk: “Daar moet je heen. Dan ga je echt begrijpen hoe bedrijven werken”.

Samen met zo’n dertig medecursisten dompel ik me onder in Corporate Governance Codes, waardebepalingen bij overnames en fusies, EBITDA, WACC, het belang van kasstromen, etc. De colleges van ervaren hoogleraren worden gelardeerd met verhalen uit de oude doos van doorgewinterde commissarissen. Toen een commissaris voortkwam uit een old boys-netwerk en er bij een goede maaltijd en een glas wijn cruciale beslissingen werden genomen.

Die tijd is voorbij. De rol van commissaris is door de grotere aansprakelijkheidsrisico’s en door veranderde wetgeving versterkt. En er komen nieuwe elementen bij, zoals de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) die vanaf 1 januari 2023 voor alle grote en beursgenoteerde bedrijven verplicht is. Onder deze Europese duurzaamheidsrichtlijn moeten beursgenoteerde bedrijven duurzaamheidsgegevens en andere niet-financiële informatie rapporteren. Duurzaamheid is daarmee een verplicht onderwerp geworden aan de commissarissentafel. Tot mijn grote vreugde. Ook bij Nyenrode komt het daarom in de colleges en in de discussies aan bod.

Een ander interessant thema is de eigendomsstructuur van het bedrijf. Diverse voorbeelden uit de agro en food-wereld passeren de revue. Opvallend is het positieve geluid dat diverse hoogleraren laten horen over familiebedrijven. Juist bij dit type bedrijven is er ruimte voor langetermijninvesteringen en zijn plannen gericht op continuïteit van het bedrijf. Dat brengt rust in de bedrijfsvoering. Waar familiebedrijven dan vaak weer weinig aandacht voor hebben is de raad voor commissarissen, als die er al is.

En dat is zonde. Want in deze cyclus op de Universiteit van Nyenrode leer ik hoe waardevol het kan zijn voor een bedrijf om een raad voor commissarissen te hebben met leden die deskundig zijn, onafhankelijk denken en ontwikkelingen vanuit buiten naar binnen brengen. Duurzaamheid is daar er een van. Samen met mijn medestudenten bereiden we ons daarop voor. Ik zie uit naar de volgende collegedagen.

Een recall zonder voedselverspilling, kan dat?

Afgelopen voorjaar volgde ik de zorgwekkende berichten over de recalls met giftige sesamzaadjes. In Indiase sesamzaadjes werd ethyleenoxide aangetroffen, een carcinogene stof. Logisch dat je dat terugroept.

We zagen echter dat het niet alleen ging om zakjes en potjes met sesam maar ook om crackers, afbakbroodjes, koekjes, snoep en kant-en- klaarmaaltijden, vaak met minieme hoeveelheden sesam erin. Alleen al in Nederland moest volgens de NVWA 5,2 miljoen kilo sesamzaad worden teruggeroepen. Hoeveel kilo voedsel daarmee is weggegooid weet ik niet, maar het zal een enorme hoeveelheid zijn. Met 5,2 miljoen kilo zaadjes kan je heel wat afbakbroodjes bestrooien!

Normen van de fabrikant

Ik vraag me af of we met dit soort terugroepacties niet meer voedsel weggooien dan gezondheidskundig nodig is. De opsporingsmethoden voor verontreinigende stoffen zijn de afgelopen decennia sterk verbeterd. Er worden nogal eens producten teruggeroepen waarvan je niet ziek kunt worden, maar die niet voldoen aan de normen van de fabrikant.

Reputatieschade steeds belangrijker

Mijn indruk is dat angst voor reputatieschade een grotere rol speelt dan vroeger. Dat mag echter niet doorslaan. Want de teruggeroepen partij wordt vergist of tot veevoer verwerkt (= voedselverspilling) en de fabrikant verdient er niets mee aan (= economische schade).

Laten we naast reputatieschade en aansprakelijkheid juist de deskundigheid van kwaliteitsmedewerkers vooropstellen. Zij kunnen een goede afweging maken, waarin voedselveiligheid én duurzaamheid gelijk opgaan. Vervolgens dienen we gezamenlijk de verantwoordelijkheid te nemen om voedselverspilling te voorkomen.

Evaluaties NVWA

Voor de case met de sesamzaadjes, geldt dat vanwege het carcinogene karakter van ethyleenoxide het terecht is dat zowel de potjes en zakjes met sesam als ook de afbakbroodjes teruggeroepen werden. Bij volgende cases zou het goed zijn als de NVWA in haar evaluatie inzicht geeft in de hoeveelheid voedsel die is weggegooid. Zodat een recall in de toekomst tot minder voedselverspilling leidt.

Breekt de biologische landbouw toch definitief door?

Biologische landbouw krijgt een flinke duw in de rug. In de onlangs verschenen Europese Farm to Fork strategie is er namelijk veel aandacht voor biologische landbouw en zet men een forse doelstelling voor de biologische landbouw. In 2030 moet op 25% van alle landbouwgrond in Europa biologische landbouw bedreven worden. Als we ons realiseren dat er op dit moment in Europa op 8% van de grond biologische landbouw plaatsvindt, en in Nederland slechts op ongeveer 4% van de grond dan hebben we nog een flinke slag te slaan om die 25% in 2030 te halen.

Support voor biologische landbouw
Niet alleen uit de hoek van de EU, ook in diverse andere onderzoeken, soms uit onverwachte hoek, is support voor de biologische landbouw te vinden. Zo bleek uit recente berekeningen dat biologische melkveebedrijven heel goed scoren op CO2-uitstoot per hectare[1]. Biologische melkveehouders blijven ruim onder de streefwaarde (van 21.780 ton). Ook de ammoniakuitstoot per hectare pakt gunstig uit.[2] Biologische melkveehouders blijven onder de 40 kilo ammoniak per hectare. Een ander onderzoek, uitgevoerd door Oxford University onderzoekers, kijkt naar de biodiversiteit en concludeert dat biologische landbouw 10 tot 30% beter scoort dan reguliere landbouw als het gaat om de bescherming en verbetering van biodiversiteit.[3] Bovendien is het stikstofbedrijfsoverschot bij biologische bedrijven aanzienlijk lager dan bij gangbare bedrijven.[4]

Kortom, biologische landbouw kan een bijdrage leveren aan het oplossen van een aantal grote vraagstukken van deze tijd; stikstof, CO2 en biodiversiteit. Dat vinden steeds vaker niet alleen de adapters (zoals ik) maar dat wordt onderschreven door wetenschappelijke publicaties en nu dus ook door de strategie van de EU.

Realisatie van de voornemens
De vraag blijft waarom het totale biologische landbouwareaal in Nederland blijft hangen op die 4%. Want de laatste jaren is dat minimaal gestegen.[5] Bekend is dat boeren vaak wel willen, zeker de jonge boeren, maar dat ze opzien tegen de onzekerheid. Er is onzekerheid over financiën, afname van de producten, en hun eigen vakmanschap. Als we de biologische landbouw willen laten groeien is het zaak om zoveel mogelijk van die onzekerheid weg te halen. En in te zetten op bijvoorbeeld omschakelsubsidies, zodat (jonge) boeren gestimuleerd worden om de overstap naar biologische landbouw te maken. Tegelijkertijd is het nodig dat de consument ook meer biologisch gaat kopen; uit de cijfers van IRI Nederland blijkt dat het biologische marktaandeel slechts licht is gestegen (van 3,19% in 2018 naar slechts 3,21% in 2019)[6]. Dat is te weinig. Onlangs beval de Rekenkamer aan Minister Schouten aan om meer aandacht te besteden aan het vergroten van het consumentenvertrouwen in het biologische keurmerk. Om zo de waarde van het keurmerk, door middel van voorlichting, duidelijk te maken aan de Nederlandse consument[7].

Werk aan de winkel
Ik zie de EU Farm to Fork strategie met de doelstelling van 25% biologische landbouw in 2030 als een flinke steun in de rug. Wat zou het mooi zijn als Nederland, toch bekend als koploper inzake kennis en onderzoek op het gebied van landbouw, hét voorbeeld zou zijn voor de rest van Europa. En ervoor zou zorgen dat die 25% aan biologisch areaal en een forse stijging van de afname door consumenten snel gerealiseerd wordt. Werk aan de winkel dus.

Keurmerken, meer waardering is op zijn plaats

Gedurende mijn gehele werkzame leven spelen keurmerken steeds weer een rol. Zo was ik jarenlang voorzitter van Skal, de organisatie die het biologische keurmerk controleert, mede-oprichter en voorzitter van Stichting EKO-keurmerk, was ik één van de leden van het College van Deskundigen van het Milieukeur (nu: On the way to Planet Proof ), en stond ik aan de wieg van het keurmerk Weidemelk. Die kennis en inzichten rondom keurmerken heb ik natuurlijk ook ingezet bij adviestrajecten over bijvoorbeeld de strategie van Max Havelaar en de plannen van PLUS om zich te positioneren als Meest Verantwoorde Supermarkt.

Een aantal vragen kwamen door de jaren heen steeds weer terug: is het keurmerk onafhankelijk, wordt het goed en streng gecontroleerd, is de bekendheid onder consumenten voldoende, is het ambitieus genoeg, creëert het voldoende impact?

Onlangs mocht ik Ika van de Pas van Milieu Centraal tijdens een livestream interviewen. Zij gaf aan dat ze recentelijk gestart is met een campagne: Keurmerkensafari in de supermarkt. Deze campagne promoot de tien robuuste keurmerken. Deze topkeurmerken voldoen aan de criteria: ambitieus, onafhankelijk en transparant. Deze tien topkeurmerken komen we in iedere supermarkt tegen. Ze hebben een hoge bekendheid bij de consument, en worden door 70% van de consumenten belangrijk gevonden. Minstens zo belangrijk is dat de producten met deze keurmerken in 2019 gepaard gaan met een omzet van meer dan 7,7 miljard. De verduurzaming van het aanbod is zo vrij effectief tot stand gekomen. De markt voor producten met een keurmerk is een volwassen markt geworden die jaar in jaar uit groeit.

Ik zie dat het tijd wordt voor nieuwe stappen; geen nieuwe keurmerken, 10 robuuste topkeurmerken lijkt me genoeg. Ik denk aan stappen die ervoor zorgen dat er nog meer producten met deze keurmerken in de winkel komen. Dat kan door harmonisatie tussen de keurmerken, denk aan controles voor meerdere keurmerken tegelijkertijd of afstemming van de eisen en harmonisering van de meetmethoden. Een dergelijke samenwerking tussen keurmerken is kostenefficiënt voor iedereen. Van belang is ook dat we dat niet alleen in Nederland doen, maar dat we dat samen doen met andere Europese landen en zo zorgen voor vergelijkbare keurmerken.

De bekendheid van de keurmerken is al heel groot, blijkt uit onderzoek. Deze dient echter wel onderhouden te worden. Daar ligt een rol voor producenten en retailers; besteed aandacht aan de eisen van die keurmerken en de waarde die ze hebben. En voor de overheid; waarom niet een grote consumentencampagne?

De laatste tijd is er veel aandacht voor de inspanningen die van producenten gevraagd wordt om te voldoen aan de eisen die keurmerken stellen. Het is een goede zaak dat er veel inspanningen gevraagd worden, dat hoort bij de ambitie van een keurmerk en geeft de vereiste geloofwaardigheid. Tegelijkertijd dienen die inspanningen wel beloond te worden. Ik zie er niets in om dat te doen met een nieuw keurmerk zoals Farmers Defence Force bepleit. Ik denk dat de overheid een rol moet nemen in het belonen van producenten die voldoen aan de strenge eisen van een topkeurmerk voor duurzaamheid, dierenwelzijn of eerlijke handel. Dat zou kunnen door het Transitiefonds van het ministerie van LNV daarvoor te benutten. Zodat producenten kunnen rekenen op een bijdrage in de kosten van investeren en certificeren. Tenslotte zijn zij al bezig met de transitie naar het nieuwe voedselsysteem.

Zoals ik in het verleden vooral gewerkt heb aan de borging en de controle van de keurmerken, zo wil ik mij de komende tijd vooral inzetten voor de waardering van die keurmerken. Waardering van de consument, en voor de producent.

Gaat biologisch weer terug in plastic?

Veel consumentenklachten bij supermarkten gaan over de grote hoeveelheid plastic verpakkingen om groente en fruit. Zeker als het gaat om biologische producten vragen consumenten zich af waarom juist deze in zoveel plastic verpakt zijn. Supermarkten, retailers en groenteleveranciers hebben de klachten serieus genomen en zijn volop aan het innoveren om plastic verpakkingen te verminderen.

Uitgangspunt is dat het biologische product voor de consument herkenbaar is. Zeker op die plaatsen waar zowel gangbaar als biologisch verkocht wordt, denk aan de markt, de supermarkt en de groentewinkel, moet een vermenging tussen biologisch en gangbaar voorkomen worden. De controle dient waterdicht te zijn.

De laatste tijd verschijnen volop verpakkingsinnovaties, die inzetten op minimaal gebruik van plastic en maximale herkenbaarheid en traceerbaarheid. Bijvoorbeeld de kleine banderol om courgette, het groene voetje en banderol om bananen, een ouwel op een broodje ,laserprint op gember en zoete aardappel en kleine stickertjes op appels en pompoen. Ook zonder een plastic verpakking zijn deze producten duidelijk herkenbaar als biologisch. Er liggen nog veel meer innovaties op de plank. Of die straks ook in het schap zichtbaar worden is nog maar de vraag…

Vanaf 1 januari 2022 geldt de nieuwe EU-verordening biologische landbouw (2018/848). In deze nieuwe verordening worden, al vanaf januari 2021, strengere eisen gesteld aan de controleerbaarheid van het biologische product. Fraude met biologisch moet te allen tijde voorkomen worden. Van volledig verpakte producten weet je zeker dat er onderweg geen vermenging met gangbaar heeft plaatsgevonden. Banderollen, ouwels, stickertjes voldoen niet aan de definitie van verpakking. Daarmee wordt het biologisch product gezien als onverpakt en dat is volgens de nieuwe EU-verordening niet toegestaan.

Supermarkten en andere verkopers staan nu voor een dilemma: biologische producten weer volledig verpakken? En terug naar de plastic verpakkingen? Plastic geeft tenslotte de meeste zicht op het product. En weg met de onlangs ingevoerde stickertjes, en banderollen? En hoe dat dan uit te leggen aan de consument, die juist blij was met de vermindering van plastic verpakkingen om groente en fruit?

Een herkenbaar biologisch product, goed controleerbaar, en niet te vermengen met gangbaar product. Dat is het uitgangspunt. Laten we daarbij vervolgens ook aandacht besteden aan andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals het verminderen van plastic verpakkingen. En zo samen zorgen voor een goede definitie van ‘voorverpakt levensmiddel’. Zodanig dat de consument in de toekomst steeds vaker biologisch groente en fruit koopt, zonder onnodig plastic.

Duurzaam boodschappen doen, hoe kan dat het best?

Uit menig consumentenonderzoek blijkt dat mensen duurzaam voedsel belangrijk vinden en daar bij het aankopen van voedsel ook best rekening mee willen houden (SAMR, 2019). Dat consumenten dat niet alleen zeggen, maar ook doen, blijkt bijvoorbeeld uit het aandeel verkochte producten met een keurmerk. Jaar in jaar uit stijgt dat aandeel (WUR, 2020). Nu al heeft ongeveer 1 op de 10 producten in de supermarkt een duurzaamheidskeurmerk. De omzet van deze producten is in de afgelopen jaren gestegen naar €7,5 mld. Ik verwacht dat deze ontwikkeling doorzet. Nog steeds zien we dat er producten met een duurzaamheidskeurmerk bij komen.

Nog makkelijker zou het zijn als je als consument niet meer bij ieder product hoeft na te denken, maar een duurzame keus kan maken door de meest duurzame supermarkt te kiezen. En daar is nu iets vreemds aan de hand; binnen enkele weken werd PLUS uitgeroepen tot de Meest Verantwoorde Supermarkt door GfK (PLUS), Albert Heijn tot de meest duurzame supermarktformule door de Sustainable Brand Index (Sustainable Brand Index) en Ekoplaza tot de meest groene supermarkt in de Superlijst Groen (Questionmark). Ieder onderzoek gebruikt een andere onderzoeksmethode en komt daarmee tot een andere conclusie. Overigens staan deze supermarkten al jarenlang bovenaan de ranglijsten; PLUS wordt al zeven jaar op rij uitgeroepen tot de Meest Verantwoorde Supermarkt en Albert Heijn is al vijf jaar de meest duurzame supermarktformule.

Daarom toch maar als consument aan de bak. Want het lijkt ingewikkelder dan het is. Koop bijvoorbeeld vooral biologische producten, bij voorkeur uit Nederland en in het seizoen. Of kies voor een van de andere top duurzaamheidskeurmerken, zoals On the way to PlanetProof, Beter Leven, ASC, MSC, Fairtrade, Rainforest Alliance of UTZ (MilieuCentraal). Let ook op verpakkingen: kies voor onverpakt neem je eigen tas mee en gooi de verpakking op de juiste wijze weg. Tot slot; veel (milieu)winst is te behalen als je lopend of op de fiets de boodschappen doet. In ons land is er bijna voor iedereen een supermarkt binnen een straal van 2 km, prima fietsafstand. Goed voor het milieu en voor jezelf. Dat is snelle winst.

NB: voor heel veel tips om duurzaam boodschappen te doen raad ik het boek Zin en onzin in de supermarkt aan van Loethe Olthuis over kopen en eten.